Ik dobber daar.
Op die kalme, zoute zee.
Waar mensen in verdwenen zijn, in verdronken zijn. Waar mensen hun zeemansgraf in hebben gevonden. Ik dobber daar, boven hun massagraf. Kalm, bijna vredig. Ik kijk naar boven, zo blauw. Oh, zo blauw. Ik dobber daar, misschien wel uren. Zo wil ik leven, aan de rand van geluk. Waar de dood nooit ver weg is. Ik dobber daar, blauw, zo blauw. Ik laat me gaan, ik dobber niet meer. Het vechten heb ik al opgegeven. Blauw wordt zwart.
Bijna vrede. Bijna geluk.
Kalmte. Vrede. Zwart.