Afwachtende ogen keken me aan, maar er kwam geen woord over mijn lippen. Ik zat gevangen in de blik, in het moment en elke seconde die wegtikte maakte de ruimte kleiner. Straks zou er geen zuurstof meer over zijn. Ik ademde snel. Nog meer verspilling van de lucht die ik meer nodig leek te hebben dan anders. De ogen kantelde lichtjes. Ik wachtte, maar geen halve glimlach deze keer. Enkel die ogen. Ogen waarvan ik me niet kon losmaken. Ik voelde de spanning door mijn lichaam vloeien. Mijn benen, mijn handen, mijn hoofd. Toch kon ik me niet bewegen. De ogen hielden me op mijn plek. Eén pas. Bijna twijfelend, maar toch zo zeker. De ruimte werd nog kleiner. Ik probeerde hem de woorden die ik niet kon zeggen duidelijk te maken met mijn ogen. Bang dat één enkel geluid de stemming zou veranderen. Twijfelend, alsof de hand bang was dat de boodschap verkeerd gelezen was, bewoog hij naar voor. Zo lichtjes, dat ik op een ander moment mij zou hebben afgevraagd of ik het wel echt gevoeld had, raakte zijn vingertop de mijne aan. Zijn wijsvinger bewoog zich over mijn handpalm. Ik wist niet hoe lang ik het nog kon verdragen. Mijn hart klopte veel te hevig. Ik ademde veel te snel. Maar ik kon niet loslaten. Zijn vinger had mijn pols bereikt. Fijne vingers omsloten mijn arm. Ik kon niet meer weg. Hij kon mijn ademhaling nu duidelijk horen. Hij voelde het stromen van mijn bloed onder zijn hand. Wat hij reeds vermoedde werd nu luidkeels bevestigd. Wat ik niet durfde te zeggen werd nu door de ruimte geschreeuwd. Maar ik was niet meer bang. Geen angst meer dat ik alleen in dit geheim zat. Zijn ogen keken me aan alsof we elkaar net iets verteld hadden. Een geheim dat we bleken te delen. Hij hoefde het niet te zeggen. Zoals mijn hartslag al mijn geheimen weggaf, zeiden zijn ogen genoeg.